Het begin van China's moderne diplomatie

05-03-2026

China is niet meer weg te denken van de internationale politieke podia. De regering stuurt internationaal meer diplomatieke posten aan dan enig ander land, inclusief de Verenigde Staten. Die posten bestaan nog niet zo heel lang: het eerste gezantschap werd in 1877 geopend in Londen, andere volgden spoedig. Waarom vond de keizer die ineens nodig? Frans-Paul van der Putten legt het uit.

"De G2 gaat zo bijeenkomen", schreef de Amerikaanse president Donald Trump op 30 oktober 2025 op sociale media. Hij doelde op zijn aanstaande ontmoeting met de Chinese president Xi Jinping in het Zuid-Koreaanse Busan. De Verenigde Staten lijken steeds meer te accepteren dat een machtig China niet alleen een rivaal is maar ook een blijvend onderdeel van de internationale orde. Amerika herziet, gedwongen door de opkomst van China als bijna-gelijke, voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zijn eigen rol in de wereld. Ook China past zich aan de veranderende geopolitieke context aan, bijvoorbeeld door de banden met voormalige politieke vijand Moskou flink aan te halen toen de relatie tussen Washington en Beijing verslechterde. Het verschil met de VS is dat China er allang aan gewend is geraakt dat het zich moet aanpassen aan omstandigheden die het niet zelf gecreëerd heeft. Waar de VS nu een stap terug doen, is China al sinds de 19de eeuw bezig stappen vooruit te zetten. Zoals de VS nu, veranderde China toen van een symbool van een oudere orde in een land dat zich heroriënteert op de veranderende geopolitieke realiteit. Weinig symboliseert die omwenteling beter dan de opening van diplomatieke en consulaire vestigingen in het buitenland vanaf 1877. Het keizerrijk China werd op dat moment geregeerd door de Qing Dynastie.

Moord in Yunnan

De directe aanleiding om Chinese diplomaten in Londen te stationeren was de dood van de Britse diplomaat Augustus Margary in 1875. Hij was betrokken bij een expeditie die nieuwe handelsroutes over land van Brits India naar China moest vinden. Op een afgelegen plek aan de Chinese zijde van de grens met Birma werden Margary en vier Chinese medewerkers van hem gedood. De omstandigheden zijn nooit duidelijk geworden, maar Groot-Brittannië hield de Chinese regering in elk geval verantwoordelijk voor Margary's dood en eiste onder meer dat China een afvaardiging naar Londen zou sturen die daar officieel verontschuldigingen aan moest komen bieden.

De keizerlijke regering in Peking was bereid de gevraagde afvaardiging naar Londen te sturen. Het rijk had niet lang tevoren twee maal moeten accepteren dat Groot-Brittannië het zijn wil met geweld oplegde: in de Opiumoorlogen van 1840-1842 en 1858-1860, die als doel hadden een betere toegang tot de lucratieve Chinese markt af te dwingen. Bang voor nieuwe militaire acties van de Britten besloot Peking dat de delegatie, na het aanbieden van verontschuldigingen, in de Britse hoofdstad moest blijven, als aanspreekpunt in het geval van eventuele toekomstige spanningen. De Britten zelf hadden Peking overigens al eerder uitgenodigd om moderne diplomatieke betrekkingen aan te gaan. Na de Tweede Opiumoorlog werd China gedwongen om permanente Westerse gezantschappen (de voorlopers van ambassades) in Peking te accepteren, maar China mocht volgens een eerder – verdrag uit 1858 vanwege de gewenste stabiliteit zelf ook een gezantschapspost openen, in Londen.

Als hoofd van de delegatie werd Guo Songtao aangewezen, een capabel en integer ambtenaar van 57 jaar oud en werkzaam in de kustprovincie Fujian. Hij had tijdens de Tweede Opiumoorlog aan diverse hooggeplaatste functionarissen gezegd dat China in plaats van te vechten tegen het Westen er beter meer over te weten kon komen. Ook wilde hij een instituut waar ambtenaren de talen van de grootmachten konden leren. Guo had veel nagedacht over de internationale situatie waarin China zich bevond. Landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, de VS en Rusland stelden allerlei eisen op handelsgebied die ongunstig waren voor China, en bezaten de militaire macht om die ook af te dwingen. Maar gewapend verzet daartegen had volgens Guo geen zin: de moderne mogendheden met hun geavanceerde wapens zouden zo'n strijd altijd winnen. In plaats daarvan moest China het spel volgens hun regels spelen, en gebruik maken van het internationale recht en de reeds gesloten verdragen met het westen, ook al waren die met geweld aan China opgedrongen.

De eerste diplomaat

Het was een hele stap voor Guo Songtao om zich in Londen te vestigen. Een stationering buiten China zelf was iets geheel nieuws. Het keizerrijk, dat in 221 v. Chr. was gesticht, had het beroep van diplomaat nooit gekend. Het was volgens het traditionele politieke denken in China niet nodig: de wereld bestond uit een beschaafd gedeelte, dat werd bestuurd door de Chinese keizer via zijn ambtenaren, en daaromheen bevonden zich de barbaarse gebieden. Die werden namens de keizer bestuurd door vazallen. Er bestonden wel incidentele contacten tussen het keizerlijke centrum en de buitenlandse vazallen, maar gezantschappen waren er niet.

Dus het was een primeur dat Guo Songtao in Londen namens de Qing regering verontschuldigingen aanbood voor de dood van Margary en vervolgens in 1877 China's eerste permanente diplomatieke vertegenwoordiging opende. De drijvende kracht achter zijn benoeming en de keizerlijke toestemming voor het opzetten van het gezantschap was een topambtenaar genaamd Li Hongzhang. Hoewel China toen geen minister van Buitenlandse Zaken had, vervulde hij die rol in de praktijk, van 1870 tot aan zijn dood in 1901. Li was een klassiek geschoolde, confucianistische ambtenaar die echter openstond voor vernieuwing om China sterker te maken. Net zoals GuoSongtao, enkele collega-ambtenaren en leden van het keizerlijke hof geloofde hij dat meedoen met het Westen en ervan leren, China kon helpen om een betere internationale positie te bemachtigen.

Het opzetten van gezantschappen was daartoe naar hun idee de eerste stap. Om te beginnen in Londen, en direct na 1877 ook in hoofdsteden van andere landen die veel invloed hadden in China: Frankrijk, Duitsland, de VS, Japan en Rusland. Wat zouden de concrete voordelen hiervan zijn volgens de factie vernieuwers in Peking?

Gezantschappen zouden China in de eerste plaats in staat stellen beter voorbereid te zijn op eventuele toekomstige aanvallen door de moderne grootmachten, en wellicht zou diplomatiek overleg die zelfs kunnen voorkomen. Een gezant/ambassadeur spreekt immers namens zijn regering. Dat wil zeggen, in theorie. In de praktijk ging het wel eens anders toe, zo had China aan den lijve ondervonden, en hierin hoopten de vernieuwers voordeel nummer twee te behalen: het was nu namelijk overgeleverd aan de grillen van de Westerse gezanten in Peking. Die waren hier sinds 1861 gevestigd als onderdeel van het afgedwongen verdrag na de Tweede Opiumoorlog. Ze stelden, onder dreiging van militaire interventie, vergaande eisen aan China terwijl ze daarvoor soms niet eens een mandaat hadden van hun eigen regering. Als China zelf gezanten had in de buitenlandse hoofdsteden was de kans hierop veel kleiner, want dan zou de Chinese regering gemakkelijk kunnen controleren of de buitenlandse gezanten in Peking binnen hun mandaat bleven.

Uitgebuite migranten

Er was nog een derde voordeel, dat wat meer indirect in elkaar stak. Dit had te maken met de grote aantallen Chinezen die vanaf ca. 1850 hun eigen land verruilden voor Noord- en Zuid-Amerika en Europese koloniën in Azië, Australië en Afrika. De snelle groei van de emigratie was een gevolg van de armoede en binnenlandse instabiliteit in China zelf en de afschaffing van de slavernij in veel delen van de wereld waardoor de vraag naar werkkrachten steeg. Ondernemers sprongen in dit gat: ze ronselden arme Chinezen als contractarbeiders, schoten de vervoerskosten voor en boden hen als goedkope werkkrachten in het buitenland aan. Traditioneel was emigratie vanuit China verboden; de Chinese overheid stond onverschillig tegenover het wel en wee van Chinese migranten die tóch waren vertrokken. Het werd na 1850 echter steeds duidelijker dat Chinese arbeidsmigranten in het buitenland vaak ten prooi vielen aan systematische uitbuiting en discriminerende wetgeving. Vooral de Spaanse kolonie Cuba was berucht, maar ook Peru, de VS en Nederlands-Indië hadden een slechte reputatie. Zo bleek uit een onderzoek van de Chinese overheid uit 1874 dat meer dan tien procent van de contractarbeiders die naar Cuba gingen, de reis niet overleefde. Van degenen die hun bestemming wel levend bereikten werden er veel als slaaf verkocht aan plantagehouders.

Er groeide onder Chinese ambtenaren het besef dat dit de overheid een slecht imago bij de Chinese bevolking bezorgde. Het tastte de legitimiteit van de staat aan als landgenoten die buiten de grenzen in de problemen raakten aan hun lot werden overgelaten. Hulp bieden kon gemakkelijker als er China zorgde voor gezantschappen of consulaten – die vooral in praktische zaken bemiddelen - in gebieden met veel Chinese migranten.

Bovendien zou de Chinese overheid dan ook beter in de gaten kunnen houden wat die migranten daar deden; er moest voor gewaakt worden dat er plannen gesmeed werden voor opstandige activiteiten in China zelf. Tenslotte was het de Chinese regering opgevallen dat sommige overzeese Chinese ondernemers, vooral in Zuidoost-Azië, bijzonder welvarend waren. Toegang krijgen tot dat kapitaal door het versterken van de banden met die ondernemers - opdat ze in China zouden gaan investeren - was een extra motief om consulaten te openen. En dat gebeurde dan ook vanaf de jaren 1870 op locaties waar veel etnische Chinezen woonden: Singapore, Yokohama, San Francisco, Honolulu, Havana en New York..

Teken van verraad

Guo Songtao keerde in 1879 naar zijn vaderland terug. Hij had in 1877 niet alleen het gezantschap in Londen opgezet, maar ook dat in Parijs en het eerste Chinese consulaat, in Singapore. Hij had goed rondgekeken. Volgens hem steunde de Westerse militaire en economische macht op het gedeelde christelijke geloof en de hoogontwikkelde politieke en maatschappelijke instituties. Dat stelsel bracht getalenteerde personen voort die de leidinggevende posities bezetten en hun land steeds verder moderniseerden. Klakkeloos Westerse technologie importeren was voor China daarom zinloos, tenzij het zelf fundamenteel veranderde, meende Guo; de sleutel voor die ommezwaai was volgens hem de hervorming van het Chinese onderwijsstelsel.

Hoe dan ook was China met Guo's uitzending al een nieuw pad ingeslagen: door deel te nemen aan het moderne diplomatieke systeem dat door het Westen was opgezet, nam China afscheid van de eigen traditionele staatsideologie. Voortaan was de keizer geen universeel heerser meer en was China onderdeel van een internationale gemeenschap van (in theorie) gelijkwaardige staten. De regering maakte die draai omdat ze zich bijzonder bedreigd voelde door de grote moderne mogendheden, maar veel hoge ambtenaren in Peking gingen niet in haar redenering mee.

Ze kregen voor elkaar dat een verslag van Guo Songtao over zijn reis naar en aankomst in Engeland, door het hof veroordeeld werd. Daarin stelde hij onder andere dat de westerse landen totaal anders waren dan de buurvolken waar China in het verleden mee te maken had gehad. De traditionele manier van omgaan met de buitenwereld voldeed daarom volgens hem niet meer, maar zijn critici vonden dat een teken van verraad. In de decennia na 1877 bleef het interne verzet tegen China's aanpassing aan de veranderde wereldorde sterk. Pas in 1901, daartoe gedwongen door de grote mogendheden, richtte China een ministerie van Buitenlandse Zaken op.

China's eerste permanente vertegenwoordigingen in het buitenland konden het land niet behoeden voor nieuwe militaire nederlagen en buitenlandse invasies. Maar het proces van externe aanpassing dat in de jaren 1870 in gang was gezet, ging door. Tijdens de 20ste eeuw namen Chinese diplomaten deel aan internationaal overleg, zoals de vredesonderhandelingen in Parijs na de Eerste Wereldoorlog, de voorbereidingen van de Volkenbond (1920) en van de Verenigde Naties (1945). Vergeleken met bijvoorbeeld de Europese Unie handelt China tegenwoordig relatief flexibel en pragmatisch op het wereldtoneel.

Frans-Paul van der Putten is historicus. Hij was hoofd van het Clingendael China Centre en is als extern expert verbonden aan o.m. Clingendael, Leiden Asia Centre en China Macro Group. Van hem verscheen De Wederopstanding van China: Van Prooi tot Wereldmacht (Prometheus, derde druk 2025).

Dit artikel verscheen in Geschiedenis Magazine 61/2, februari 2026, p.49-53. Klik hier om naar de site van Geschiedenis Magazine te gaan.